blok

Het Blok: de Kern

Het hart.

Mijn perfecte cilinders zijn glad als ijs.
Een flinterdun laagje olie is alles dat mij scheidt van de razende zuigers.
Schoongeschraapt, gladgestreken, miljoenen malen.
Snel, sneller, maar nooit langzaam.
Hoe groot ook het geweld, mijn wanden zijn van het beste staal en laten niets van de tomeloze energie ontsnappen.
Hoe sneller, hoe heter, hoe harder ik mij laaf aan de koude luchtstroom langs mijn ribben.
Alles is beweging en zo lang ik beweeg, snelt de wereld vooruit en brengt de suizende lucht de verkoeling die ik nodig heb.
Ik glim als geen ander, maar niemand die mij ziet.
Mijn schoonheid is verscholen, diep van binnen, in het hart, waar vuur wordt omgesmeed tot tomeloze vaart.
Ik omarm in een stalen greep, aan mij ontsnapt niets.

Maar alles is eindig en mijn  energie ligt hier.
Ik stel mijn glans te toon aan een ieder die het zien wil.
Geen geweld meer, geen spel van vuur en vaart, maar binnenstebuiten gekeerd, koud en bewegingsloos.
Mijn staal gegroefd, mijn vaste greep steeds losser en losser.
Langzaam rukt de olie op.
Smeert nog, ja, maar verbrandt evengoed.
Langzaam verloor ik mijn stalen grip.
En laat nu alles los.
Open, voor iedereen.
Ik verloor mijn grip, maar nooit mijn glans.

Bron:
1 op 1 overgenomen uit Promotor nr. 5

Het Blok

Voor de motorrijders onder ons, las ik een mooi stukje in de Promotor wat ik jullie niet wil onthouden:

Ooit kwam ik uit een mal.
Een kunstwerk van lichtmetaal.
Dampend nog, mijn fysiek strakgeboetseerd als precisie-indtrument.
Sterk, onverzettelijk waar het moet, dunwandig waar het kan, een wonder van balans tussen noodzaak en gewicht.
Bij mij  komt alles samen.
Ik vang de krachten op, ben het fundament, de basis, voor alles wat beweegt.
Krankzinnig zijn de krachten die ik te verduren krijg, de snelheden die ik in toom houd.
Gloeiend de olie op mijn huid, een schelp voor de ingewanden die het beest aan de praat houden.
Razend versnellen de tandwielen, vertragen weer, boven mijn hoofd dansen de krukken met duivels genot op het feest  van vuur en blinkend staal en ik draag, verdraag het geweld als vanzelf, zet uit, krimp, koel en ben de basis van alles.
En nu.
Het feest is klaar, krakend en steunend tot een einde gekomen.
De vlammen gedoofd, alles staat stil.
Ik ben onverzettelijk, nog steeds, aan mij heeft het niet gelegen.
Maar waar gespeeld wordt met vuur is een eind onvermijdelijk.
Mijn huid is dof, geplaagd door de elementen.
Maar ik ben heel, nog steeds uit een stuk.
Verscholen onder de dikke, koude olie glim ik.
Net als vroeger, wacht ik geduldig op het Helse Feest.

Bron: Promotor nr 3, jubileum-nummer.